Channelling my inner nerd…

Mijn allereerste keer Dungeons & Dragons

Sommige mensen zijn verbaasd als ik zeg dat ik best wel een beetje een nerd ben. Degene die mij beter kennen, weten dat ik enorm kan genieten van fantasyboeken en dat ik je redelijk wat kan vertellen over Harry Potter. Op Facebook zie je soms van die artikelen voorbij komen, ‘10 dingen die je nog niet wist over Harry Potter’ en dan denk ik altijd ‘Try me, b*tch’. En vaak weet ik dan alles al. Vroeger schreef ik zelfs ook fanfiction over mijn eigen personage in de Harry Potter wereld, op een website die tijdverdrijver.nl heette. Als je dan geen nerd bent, dan weet ik het ook niet meer. Een trotse nerd, hoor, ik schaam me er verder niet voor. Een echte gamer ben ik niet, ik heb ooit wel Skyrim op de computer en Diablo op de playstation gespeeld en ben nog ooit van plan deze spellen voor de Xbox te kopen, maar zodra ik tijd en zin heb. Van fantasy werelden kan ik altijd genieten. 

Hoe mijn wens om D&D eens te spelen uitkwam

Ik vind het dan ook eigenlijk wel een beetje gek dat ik nog nooit Dungeons & Dragons heb gespeeld, wat bij mij (voordat ik het speelde) met name bekend stond als het meest nerdy spel ooit. Hetgeen wat ik erover wist, kwam met name uit the Big Bang Theory. Het leek me met name ingewikkeld, maar ook wel leuk om ooit een keer te proberen. Helaas waren er nooit mensen in mijn omgeving die het erover hadden of het wilden spelen en zonder andere medespelers die minstens net zo enthousiast zijn als jij, kom je niet heel ver. Mijn wens om dit spel ooit te spelen lag dus heel lang op een laag pitje. Totdat ik weer eens afsprak met Kirsten, een goede vriendin van de middelbare school. Wij kwamen recentelijk weer in contact met elkaar doordat we allebei een blog hebben (hier is de hare) en toen we een keer thee gingen drinken, hadden we het weer over het spel. Zij speelt het regelmatig met wat vrienden en haar vriend Mees is dan de ‘Dungeon Master’ – dat is degene die het spel leidt en hij of zij moet redelijk wat over het spel weten. Ik gaf aan dat ik het ook wel wilde proberen en redelijk soepel maakten we een afspraak met Lynn, ook een vriendin van de middelbare school. 

Wat is D&D dan?

Dungeons & Dragons is een rollenspel, wat je met een groepje speelt. Je speelt dus niet tegen elkaar, maar met elkaar. Er is dus één iemand de DM (Dungeon Master), diegene leidt het spel. Iedereen bedenkt een eigen personage. Hierbij kies je uit een aantal soorten wezens, die bepaalde eigenschappen hebben. Ze zijn goed in bepaalde dingen en minder goed in andere dingen. Zo kan je bijvoorbeeld heel atletisch zijn, maar wat minder perceptief. De DM vertelt in welke setting de personages terecht komen en vervolgens mag iedereen zijn personage laten doen wat ze willen. Je kunt eigenlijk alles doen wat je kunt bedenken. Wanneer je iets wil doen, dan moet je rollen met dobbelstenen. Dit zijn niet alleen de klassieke zeszijdige dobbelstenen  – het zijn dobbelstenen met vier, zes, acht, tien, twaalf of wel twintig zijden. Dit bepaalt of een actie slaagt of mislukt. Zo is er ook nog een kans bij het spel betrokken. Er zijn een aantal standaard werelden, maar je kan ook je eigen wereld bedenken. Het is dus een enorm creatief spel, waar je echt alle kanten mee op kan. 

Onze ‘one-shot’

Wij speelden een avontuur wat Mees zelf had bedacht (iets wat ik nog steeds ontzettend knap en bijzonder vind). Normaal speel je één verhaal over meerdere avonden, maar nu speelden we een ‘one-shot’: met één sessie was het verhaal afgelopen en klaar. 

We hadden een avontuur in een dwergenstad, waarbij we een opdracht kregen om drakeneieren te gaan halen. Mijn personage heette Jilian en ze was een Wizard en een Halfling. Zolang ik maar kan toveren, vind ik alles best in alle games. 

Ik vond het met name ontzettend tof dat je alles kan doen wat je wil. Je kan het zo gek niet verzinnen. Wil je een koprol doen om een goblin onderuit te halen, dan kan dat. Je moet wel eerst nog even met je dobbelsteen een goede worp gooien om te kijken of het lukt, maar het kan. Als wizard had ik een spreuk die ‘firebolt’ heette, dus ik kon alles in de fik zetten. Zo heb ik redelijk wat kobolden gebarbecued. 

Conclusie: 10/10

Ik vond het echt heel erg leuk om dit spel eindelijk een keer te doen. Het zorgt echt voor afleiding van de dagelijkse realiteit; dat heb ik ook altijd het leuke aan boeken gevonden. Je kan je in een andere wereld verplaatsen en je bent even totaal ergens anders mee bezig dan alleen maar met werk of een verhuizing of iets anders wat jou op een of andere manier stress oplevert. Ik kon hier echt van ontspannen en dat merk ik nu echt (de dag erna, terwijl ik weer aan het werk ben). Ik ben een stuk minder bang dat ik harder moet gaan werken en geniet weer van het zien van patiënten. Soms schiet dat er een beetje bij in, als je eigenlijk alleen maar doorwerkt en verder niet echt ontspant. 

7 redenen waarom ik van spreekuur hou

Als coassistent kijk je overal in het ziekenhuis mee. Je kijkt mee op de afdeling, waar patiënten opgenomen liggen omdat ze zorg nodig hebben. Je kan soms je eigen patiënten zien op de Spoedeisende Hulp en afhankelijk van het specialisme kan je ook mee naar de operatiekamer. Wat veel (vrijwel alle) specialisme gemeen hebben, is de polikliniek, oftewel het spreekuur. Hierbij komen de patiënten langs bij de arts met een bepaalde lichamelijke (of mentale) klacht. Door de klacht goed uit te vragen en lichamelijk onderzoek te doen, kan de arts wellicht al een diagnose stellen of bepalen welk aanvullend onderzoek er nog gedaan moet worden. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit bloedonderzoek of aanvullende scans. 

Poli tijdens de coschappen 

Tijdens mijn coschappen heb ik bijna bij alle specialismen spreekuur mee ‘gedaan’. Soms mocht ik de nieuwe patiënten zelf zien, dus mocht ik zelf de anamnese (het uitvragen van de klacht) en het lichamelijk onderzoek doen. Vaker was het echter meekijken met hoe de specialist dat deed, het welbekende ‘kruk zitten’. In het begin is dat nog leerzaam, maar het blijkt vaak lastig je concentratie erbij te houden en vaak wist ik van de laatste patiënt niet eens meer met welke klacht hij of zij kwam. Het blijft makkelijk om op dat soort momenten weg te dromen. 

Naast het bijna nutteloze kruk zitten, was ik ook vaak heel erg zenuwachtig als ik poli moest doen. Ik vond mezelf vaak dom, als de specialisten nog aanvullende vragen hadden, die ik niet had gesteld. Dat sloeg natuurlijk nergens op, want ik was op dat moment nog niet eens dokter, laat staan dat ik een specialist was met veel ervaring op dat bepaalde vakgebied. Ik wilde het gewoon heel erg graag goed doen. Als ik het verhaal van de patiënt aan de specialist vertelde (dit noemen we ook wel ‘overdragen’), dan wilde ik dat zo snel mogelijk en zo volledig mogelijk doen. Ik wilde zó graag dat ze me goed vonden. 

Poli als arts-assistent

Nu ben ik daadwerkelijk afgestudeerd en in de drie maanden dat ik nu werk, heb ik met name op de afdeling en de Spoedeisende Hulp gewerkt. Hoe de diensten hier zijn, is vrij onvoorspelbaar, maar het is vaak druk. Er wordt veel van je gevraagd. Met name op de SEH zijn er vaak zaken die je onmiddellijke aandacht vereisen, zoals een trombolyse kandidaat (wat dat is, leg ik *hier* uit). Soms zijn er diensten waar je niet eens aan eten toe komt. Goed voor jezelf zorgen, blijft in deze diensten vaak nog een punt van verbetering. 

Ik zit nu weer voor het eerst op de poli en ik vind het geweldig. We hebben een speciaal spreekuur wat gedraaid wordt door de arts-assistenten en als je wat langer werkt, kan je ook hier ingedeeld worden. Ik werk er pas drie maanden, maar met mijn oudste coschap erbij is het eigenlijk wat langer. Ik ben de angst voor kritiek en de drang om het perfect te doen grotendeels kwijt. Ik hoor het verhaal van de patiënten aan, stel wat aanvullende vragen en als ik iets nog niet heb gevraagd, is het helemaal niet erg. Ik bespreek de patiënten vaak nog met de neurologen en als er dan nog vragen zijn, kan ik makkelijk teruglopen om dat nog even te vragen. Je kan nou eenmaal niet alles weten. 

Waarom spreekuur top is

Ik heb een lijstje gemaakt van de redenen waarom ik spreekuur draaien top vind, in willekeurige volgorde:

  1. De patiënten komen speciaal voor jou. Dat vind ik ontzettend stoer en ik voel me nét een beetje meer dokter dan voordat ik poli deed.
  2. Het is een oase van rust. Je zit alleen met je patiënten in de spreekkamer, waarbij niet Jan en alleman naar binnenloopt om aan het infuus te prutsen, bloed af te nemen of de patiënten op te halen om naar de CT-scan te gaan.
  3. En ook in het kader van reden twee – je telefoon gaat niet aan de lopende band. 
  4. Je kan rustig tussendoor een kopje koffie halen. En met koffie wordt alles beter. 
  5. Als je tussendoor even wat wil opzoeken, dan kan dat. Ook hierbij word je niet gestoord. Geweldig. 
  6. Het is ook makkelijker om gezonde eetgewoonten erin te houden. Je wordt niet afgeleid door grote stukken taart.  
  7. Je dag is ingeroosterd en voorspelbaar. Je weet wanneer je welke patiënten gaat zien en met welke klacht ze komen. De dagen op de Spoedeisende Hulp zijn zo onvoorspelbaar, dat wat voorspelbaarheid op zijn tijd eigenlijk echt heel erg fijn is. 

Afstuderen in corona tijd

Op vrijdag 28 mei was het dan eindelijk zover: ik mocht de eed van Hippocrates afleggen en mijn diploma’s in ontvangst nemen. Helaas gaan er in deze tijden veel dingen anders en zo ook mijn afstudeerceremonie. 

De uitreiking was met zeventien andere collega’s en zonder publiek. Onze ouders, familie en vrienden mochten er niet bij zijn, maar konden meekijken via een livestream. Dit was uiteraard jammer, maar er was niets aan te doen. Ik hoorde dat andere afgestudeerden van andere studies überhaupt geen ceremonie hadden of deze digitaal moesten afleggen. Achteraf ben ik dus erg blij dat ik dit toch heb mogen doen.

Er was een afstudeercommissie, die bestond uit drie van onze docenten. Toen zij binnenkwamen, moesten we allemaal gaan staan. De voorzitter was een professor van de gynaecologie. Hij hield eerst een lange toespraak en daarna las de secretaris van deze commissie de eed voor. Tijdens deze gebeurtenissen moesten we allemaal blijven staan. En ik had uiteraard mijn hoge hakken aan, dus mijn voeten waren erg blij toen ik weer mocht gaan zitten. 

Hierna werden we allemaal één voor één naar voren geroepen. Daarna moest je de voorzitter nazeggen om de belofte dan wel de Eed af te leggen: je kon kiezen uit ‘Dat beloof ik’ of ‘Zo waarlijk helpe mij god almachtig’. Bij deze laatste moest je ook je vingers opsteken. Ik koos uiteraard voor de belofte, omdat ik niet gelovig ben. Vervolgens kon je plaats nemen achter de microfoon en stelde de commissie je vragen, over een formulier wat je voor de ceremonie had ingevuld. Dit had ik in de laatste week van mijn oudste coschap gedaan en dat was dus al drie maanden geleden. Ik kon me echt niet herinneren wat ik had opgeschreven. 

Bij mij ging het over de research master Neurowetenschappen en dat ik dit eigenlijk niet zo leuk vond. Ook werd mijn blog genoemd. Blijkbaar heb ik op de vraag ‘Kunt u een leuke anekdote over uw studie vertellen’ het volgende geantwoord: ‘Nou dat kun je lezen op mijn blog, hier is de link), maar niet de volledige link en heb ik uiteraard het stepverhaal kort verteld. Ook ging het over mijn studententeam en wat ik verder hierna wil gaan doen. Het was kort, maar krachtig.

Na de ceremonie waren mijn ouders, broertje en het vriendinnetje van mijn broertje naar de ingang van het Erasmus MC gekomen om toch nog foto’s te maken (deze foto’s zet ik er uiteraard bij op mijn blog). Gelukkig was het mooi weer en waren de foto’s hierdoor erg mooi. We wilden daarna nog wat gaan drinken, maar uiteraard waren de terrassen allemaal bezet. Ik kan het niemand kwalijk nemen, het was de eerste dag met uitstekend weer. 

Uiteindelijk gingen we bij mijn broertje David wat drinken en eten. Ik kreeg een plant en een puzzelboekje met ‘Escape Rooms’  erin (en uiteraard het etentje en een reis, maar die had ik op mijn laatste coschap dag al gekregen). Het was een fijne dag!

Pinkeltje in het ziekenhuis

Een paar weken geleden deed ik een trombolyse opvang. Voor diegene die denkt – wat spreekt ze nou weer voor geheimtaal: dit is de beoordeling van een patiënt met een beroerte, waarbij alles heel snel moet, want: time = brain. Dit betekent: hoe sneller je bent, hoe meer hersenweefsel je nog kunt redden. Ik was de dokter en samen met twee mannelijke verpleegkundigen (beiden langer dan één meter tachtig) en een mannelijke coassistent van één meter vijfennegentig deed ik de eerste opvang. Ik ben zelf ongeveer één meter vijfenzestig-  je kan je wel voorstellen dat ik me naast die gigantische mannen net Pinkeltje voelde.

Ik voelde me ontzettend stoer: als ‘klein meisje’ mocht ik de boel leiden. Ik mocht opdrachten geven aan verpleegkundigen en besluiten wat we gingen doen. En dat was extra bad-ass, omdat ik voor de rest omgeven werd door mannen.

Ergens was dit stoere gevoel krom. Steeds meer vrouwen zijn dokter:  ‘we’ zijn al in de meerderheid vanaf 1980. Het is dus allang niet meer ‘a man’s world’. Helaas word ik nog regelmatig ‘zuster’ genoemd, meestal door wat oudere mensen. Je kan denken: ‘ach, dat oude mensje, hij of zij weet niet beter. Vroeger was dat ook nou eenmaal vaak zo, doe rustig en pick your battles’. Ik vind dit toch vaak vervelend. Ik heb toch niet voor niets zo hard gewerkt om dokter te worden? Men kan toch zien dat ik een lange witte jas aan heb? Het zou duidelijk moeten zijn: lange witte jas = dokter, korte witte jas = verpleegkundige. Zo moeilijk lijkt het mij niet.

Mijn mannelijke collega’s hebben dit trouwens nooit. Zij worden nooit ‘broeder’ genoemd. Sterker nog, patiënten gaan er vaak vanuit dat een mannelijke verpleegkundige de dokter is. Niets ten nadele van verpleegkundigen: ik ben helemaal niet ‘beter’ dan zij en ik wil absoluut niet arrogant klinken.

Ik ben erg benieuwd waar deze vooroordelen vandaan komen. Het zijn lang niet altijd ouderen die vrouwelijke dokters zusters noemen, dus ergens moet het idee zijn ontstaan dat dokter een mannenberoep is en verpleegkundige een vrouwenberoep. Dit heeft vast te maken met de natuurlijke ‘verzorgende’ rol van de vrouw en de ‘leidende’ rol van de man. Al in de vroege jeugd wordt dit gedrag ons aangeleerd: jongens krijgen auto’s en meisjes spelen met poppen. Soms kunnen die poppen zelfs huilen en kalmeren ze pas wanneer het kind (dus vaak een meisje)  ze troost. Er zullen echter veel meer verklaringen zijn, die ik helaas niet kan bedenken. Ik hoop dat we snel van dit ouderwetse idee af zijn.

Een van mijn favoriete hobby’s is…

Haken! Eén van mijn vroegere hobby’s, die tijdens mijn studie geneeskunde zijn gesneuveld, is haken. Ik was er nooit zo open over, omdat ik me er een beetje over schaamde. Het is toch een hobby, die mensen vaak suf vinden. Nu ik in mijn huidige werk wat meer zelfvertrouwen gekregen heb en behandeld ben voor mentale klachten, kan het me niet zo veel meer schelen wat mensen ervan denken. Ik ben er nu gewoon open over. Eerlijk, ik voel me een stuk vrijer en lichter.

Doorgaan met het lezen van “Een van mijn favoriete hobby’s is…”

Update over mijn doktersleven

Wanneer je begint aan een nieuwe baan, is er altijd een periode waarin je een heleboel ‘eerste keren’ mee maakt. De eerste keer op de afdeling, de eerste keer op de spoedeisende hulp, de eerste lumbaalpunctie, de eerste keer weekenddiensten en de eerste keer nachtdiensten. Inmiddels heb ik alle aspecten van het werken als arts nu voor een eerste keer meegemaakt. Ik heb wat dat betreft dus niet veel eerste keren meer om over te vertellen, maar ik wilde toch een update geven over hoe het nu gaat. 

Doorgaan met het lezen van “Update over mijn doktersleven”

De allereerste avond & nachtdiensten

Voor alles een eerste keer, zo ook voor avond- en nachtdiensten. Voor ons zijn de avonddiensten van 16:30 tot 00:00 ‘s nachts. Daarna doen we een bereikbaarheidsdienst tot 8 uur. Dit houdt in dat alle telefoontjes en vragen direct naar de neuroloog gaan. Wij slapen wel in het ziekenhuis en in het geval dat er wat gedaan moet worden, worden we gebeld door de neuroloog en moeten we eruit. 

Doorgaan met het lezen van “De allereerste avond & nachtdiensten”

De eerste weekenddienst!

Na de drukke diensten van vorige week, stond ik deze week weer eens op de afdeling. Hier begon ik in mijn eerste week, sindsdien heb ik drukkere diensten overleefd en ik dacht – ik kan het allemaal wel. Het is wel weer bewezen dat je niet te makkelijk moet denken. Ik maakte wat slordige foutjes, omdat ik dacht het allemaal wel te weten. Maak je niet druk, iedereen leeft nog… De foutjes die ik maakte, waren met name in hoe ik in het elektronische systeem iets moest aanvragen. Ik controleerde mezelf in de eerste week regelmatig, nu dacht ik: “ah, ik heb het zo goed gedaan, dat hoeft niet meer”. Fout. En dat zorgde voor redelijk wat frustratie, vooral bij mezelf.

Doorgaan met het lezen van “De eerste weekenddienst!”

Ik begin te wennen…

Mijn derde ‘week’ als arts in het Ikazia ziekenhuis begon ik me toch wel wat meer dokter te voelen: ik stelde me zelfs een paar keer daadwerkelijk voor als dokter de Jong! Deze week stond ik maar twee dagen ingeroosterd, ook al voelde het toch alsof ik een hele week heb gewerkt – die twee dagen waren erg druk en er kwam later nog een derde dag bij.

Doorgaan met het lezen van “Ik begin te wennen…”

Mijn meest fijne herinneringen

In deze tijd mag en kan er natuurlijk niet zoveel. Restaurants en cafés zijn nog steeds dicht, laat staan de discotheken. We zitten allemaal thuis (waar ik me ook prima vermaak, begrijp me niet verkeerd) met heimwee naar ‘die goeie oude tijd’. Af en toe is dan het fijn om stil te staan bij enkele fijne herinneringen. Dit wil ik dan ook graag even doen door middel van een aantal foto’s. 

Doorgaan met het lezen van “Mijn meest fijne herinneringen”