Wat doe je ernaast?

Samen zaten we te huilen bij de psycholoog. Drie vriendinnen, allemaal hadden we mentale problemen. De studie Geneeskunde is zwaar en daarnaast vonden we onszelf allemaal zwak en lelijk. “En dat moet dan mensen beter maken!” lachte het ene meisje door haar tranen heen. De psycholoog glimlachte triest en zei: “Jullie vormen minstens de helft van mijn cliënten.” Geschokt staarden we hem aan. De helft?! We wisten wel dat meerdere van onze medestudenten onder de druk van de studie leden, maar dat het er zoveel waren, verbaasde ons. 

Volgens een onderzoek van het ntvg (Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde) voldoet 17,8% van de coassistenten en 11,6% van de bachelorstudenten aan de criteria voor een burn-out (1). Daarnaast heeft meer dan de helft van de bachelorstudenten en 63,7% van de coassistenten last van uitputting. Deze getallen zijn schrikbarend, vooral als je bedenkt dat artsen grote verantwoordelijkheid hebben. 

Hoe komt het nou dat zoveel van de geneeskundestudenten zo overprikkeld raken? Wat mij met name opviel tijdens de studie was dat er een enorme onderlinge competitie heerst tussen de studenten. Bijna iedereen wil medisch specialist worden en er zijn maar een beperkt aantal plekken beschikbaar. Als je om je heen kijkt in de collegezaal, zie je je concurrenten en niet je aanstaande collega’s. We vergelijken geen cijfers: juist niet. De tentamens zijn vaak zo moeilijk dat het al een prestatie is als je hem hebt gehaald. 

Volgens mij gaat het met name om extracurriculaire activiteiten. Als je niks naast je studie doet, lijkt het soms wel alsof je niets waard bent. Alsof je dan geen enkele kans maakt om in opleiding te komen. Eén van de eerste vragen die de studenten aan elkaar stellen is dan ook: “Wat doe je ernaast?” Vervolgens willen we van elkaar weten wat voor onderzoek je doet. Niet eens óf je onderzoek doet. Ook kreeg ik het idee dat bijna iedereen in een studententeam werkte. Ik probeerde in mijn tweede jaar dan ook hard om ook in een studententeam te komen en sollicitatie na sollicitatie volgde. De steeds maar weer groeiende aantallen van extracurriculaire cursussen zijn schrikbarend en intimiderend. Door deze cultuur krijg je ook het idee dat je overal maar aan mee moet doen, omdat je anders achterloopt. 

Deze enorme druk en competitie zorgen er ook voor dat je het idee kreeg dat je zo vroeg mogelijk zou moeten weten wat je later wilde worden. Dat is ook één van de eerste vragen die elke coassistent krijgt. Terwijl de coschappen er juist ook voor zijn om van veel verschillende specialismen wat mee te krijgen, zodat je een idee kan krijgen van wat je later wil. Nu is het de norm dat je dat al weet, voordat je überhaupt één voet in een ziekenhuis hebt gezet.  

Dat er een hoge druk op onze studie heerst en dat mensen hierdoor overprikkeld en in de burn-out raken, lijkt me dus duidelijk. Onder het mom van het Rotterdamse “Niet lullen, maar poetsen” – Wat doe je eraan? Volgens het onderzoek van het Ntvg waren beschermende factoren het ervaren van autonomie en voldoende steun van het thuisfront. Daarnaast opperen ze met name het tijdig herkennen en erkennen van burn-out klachten om te voorkomen dat ene student afhaakt of een uitgebluste arts wordt. Uiteraard is dat goed, maar mijns inziens moet je problemen altijd aanpakken bij de oorzaak: doe iets aan die competitie! Zorg ervoor dat studenten onderzoek gaan doen, omdat ze dat léúk vinden, niet omdat het moet, uit angst dat ze later niet kunnen gaan doen wat ze willen. Zorg ervoor dat er al vroeg in de studie wat gedaan wordt aan burn-out preventie. Voorkomen is immers beter dan genezen!

  1. https://www.ntvg.nl/artikelen/burn-out-bij-nederlandse-geneeskundestudenten/volledig#:~:text=Uit%20dit%20onderzoek%20blijkt%20dat,oorzaken%20van%20deze%20hoge%20prevalentie.

7 redenen waarom ik van spreekuur hou

Als coassistent kijk je overal in het ziekenhuis mee. Je kijkt mee op de afdeling, waar patiënten opgenomen liggen omdat ze zorg nodig hebben. Je kan soms je eigen patiënten zien op de Spoedeisende Hulp en afhankelijk van het specialisme kan je ook mee naar de operatiekamer. Wat veel (vrijwel alle) specialisme gemeen hebben, is de polikliniek, oftewel het spreekuur. Hierbij komen de patiënten langs bij de arts met een bepaalde lichamelijke (of mentale) klacht. Door de klacht goed uit te vragen en lichamelijk onderzoek te doen, kan de arts wellicht al een diagnose stellen of bepalen welk aanvullend onderzoek er nog gedaan moet worden. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit bloedonderzoek of aanvullende scans. 

Poli tijdens de coschappen 

Tijdens mijn coschappen heb ik bijna bij alle specialismen spreekuur mee ‘gedaan’. Soms mocht ik de nieuwe patiënten zelf zien, dus mocht ik zelf de anamnese (het uitvragen van de klacht) en het lichamelijk onderzoek doen. Vaker was het echter meekijken met hoe de specialist dat deed, het welbekende ‘kruk zitten’. In het begin is dat nog leerzaam, maar het blijkt vaak lastig je concentratie erbij te houden en vaak wist ik van de laatste patiënt niet eens meer met welke klacht hij of zij kwam. Het blijft makkelijk om op dat soort momenten weg te dromen. 

Naast het bijna nutteloze kruk zitten, was ik ook vaak heel erg zenuwachtig als ik poli moest doen. Ik vond mezelf vaak dom, als de specialisten nog aanvullende vragen hadden, die ik niet had gesteld. Dat sloeg natuurlijk nergens op, want ik was op dat moment nog niet eens dokter, laat staan dat ik een specialist was met veel ervaring op dat bepaalde vakgebied. Ik wilde het gewoon heel erg graag goed doen. Als ik het verhaal van de patiënt aan de specialist vertelde (dit noemen we ook wel ‘overdragen’), dan wilde ik dat zo snel mogelijk en zo volledig mogelijk doen. Ik wilde zó graag dat ze me goed vonden. 

Poli als arts-assistent

Nu ben ik daadwerkelijk afgestudeerd en in de drie maanden dat ik nu werk, heb ik met name op de afdeling en de Spoedeisende Hulp gewerkt. Hoe de diensten hier zijn, is vrij onvoorspelbaar, maar het is vaak druk. Er wordt veel van je gevraagd. Met name op de SEH zijn er vaak zaken die je onmiddellijke aandacht vereisen, zoals een trombolyse kandidaat (wat dat is, leg ik *hier* uit). Soms zijn er diensten waar je niet eens aan eten toe komt. Goed voor jezelf zorgen, blijft in deze diensten vaak nog een punt van verbetering. 

Ik zit nu weer voor het eerst op de poli en ik vind het geweldig. We hebben een speciaal spreekuur wat gedraaid wordt door de arts-assistenten en als je wat langer werkt, kan je ook hier ingedeeld worden. Ik werk er pas drie maanden, maar met mijn oudste coschap erbij is het eigenlijk wat langer. Ik ben de angst voor kritiek en de drang om het perfect te doen grotendeels kwijt. Ik hoor het verhaal van de patiënten aan, stel wat aanvullende vragen en als ik iets nog niet heb gevraagd, is het helemaal niet erg. Ik bespreek de patiënten vaak nog met de neurologen en als er dan nog vragen zijn, kan ik makkelijk teruglopen om dat nog even te vragen. Je kan nou eenmaal niet alles weten. 

Waarom spreekuur top is

Ik heb een lijstje gemaakt van de redenen waarom ik spreekuur draaien top vind, in willekeurige volgorde:

  1. De patiënten komen speciaal voor jou. Dat vind ik ontzettend stoer en ik voel me nét een beetje meer dokter dan voordat ik poli deed.
  2. Het is een oase van rust. Je zit alleen met je patiënten in de spreekkamer, waarbij niet Jan en alleman naar binnenloopt om aan het infuus te prutsen, bloed af te nemen of de patiënten op te halen om naar de CT-scan te gaan.
  3. En ook in het kader van reden twee – je telefoon gaat niet aan de lopende band. 
  4. Je kan rustig tussendoor een kopje koffie halen. En met koffie wordt alles beter. 
  5. Als je tussendoor even wat wil opzoeken, dan kan dat. Ook hierbij word je niet gestoord. Geweldig. 
  6. Het is ook makkelijker om gezonde eetgewoonten erin te houden. Je wordt niet afgeleid door grote stukken taart.  
  7. Je dag is ingeroosterd en voorspelbaar. Je weet wanneer je welke patiënten gaat zien en met welke klacht ze komen. De dagen op de Spoedeisende Hulp zijn zo onvoorspelbaar, dat wat voorspelbaarheid op zijn tijd eigenlijk echt heel erg fijn is. 

Afstuderen in corona tijd

Op vrijdag 28 mei was het dan eindelijk zover: ik mocht de eed van Hippocrates afleggen en mijn diploma’s in ontvangst nemen. Helaas gaan er in deze tijden veel dingen anders en zo ook mijn afstudeerceremonie. 

De uitreiking was met zeventien andere collega’s en zonder publiek. Onze ouders, familie en vrienden mochten er niet bij zijn, maar konden meekijken via een livestream. Dit was uiteraard jammer, maar er was niets aan te doen. Ik hoorde dat andere afgestudeerden van andere studies überhaupt geen ceremonie hadden of deze digitaal moesten afleggen. Achteraf ben ik dus erg blij dat ik dit toch heb mogen doen.

Er was een afstudeercommissie, die bestond uit drie van onze docenten. Toen zij binnenkwamen, moesten we allemaal gaan staan. De voorzitter was een professor van de gynaecologie. Hij hield eerst een lange toespraak en daarna las de secretaris van deze commissie de eed voor. Tijdens deze gebeurtenissen moesten we allemaal blijven staan. En ik had uiteraard mijn hoge hakken aan, dus mijn voeten waren erg blij toen ik weer mocht gaan zitten. 

Hierna werden we allemaal één voor één naar voren geroepen. Daarna moest je de voorzitter nazeggen om de belofte dan wel de Eed af te leggen: je kon kiezen uit ‘Dat beloof ik’ of ‘Zo waarlijk helpe mij god almachtig’. Bij deze laatste moest je ook je vingers opsteken. Ik koos uiteraard voor de belofte, omdat ik niet gelovig ben. Vervolgens kon je plaats nemen achter de microfoon en stelde de commissie je vragen, over een formulier wat je voor de ceremonie had ingevuld. Dit had ik in de laatste week van mijn oudste coschap gedaan en dat was dus al drie maanden geleden. Ik kon me echt niet herinneren wat ik had opgeschreven. 

Bij mij ging het over de research master Neurowetenschappen en dat ik dit eigenlijk niet zo leuk vond. Ook werd mijn blog genoemd. Blijkbaar heb ik op de vraag ‘Kunt u een leuke anekdote over uw studie vertellen’ het volgende geantwoord: ‘Nou dat kun je lezen op mijn blog, hier is de link), maar niet de volledige link en heb ik uiteraard het stepverhaal kort verteld. Ook ging het over mijn studententeam en wat ik verder hierna wil gaan doen. Het was kort, maar krachtig.

Na de ceremonie waren mijn ouders, broertje en het vriendinnetje van mijn broertje naar de ingang van het Erasmus MC gekomen om toch nog foto’s te maken (deze foto’s zet ik er uiteraard bij op mijn blog). Gelukkig was het mooi weer en waren de foto’s hierdoor erg mooi. We wilden daarna nog wat gaan drinken, maar uiteraard waren de terrassen allemaal bezet. Ik kan het niemand kwalijk nemen, het was de eerste dag met uitstekend weer. 

Uiteindelijk gingen we bij mijn broertje David wat drinken en eten. Ik kreeg een plant en een puzzelboekje met ‘Escape Rooms’  erin (en uiteraard het etentje en een reis, maar die had ik op mijn laatste coschap dag al gekregen). Het was een fijne dag!

Pinkeltje in het ziekenhuis

Een paar weken geleden deed ik een trombolyse opvang. Voor diegene die denkt – wat spreekt ze nou weer voor geheimtaal: dit is de beoordeling van een patiënt met een beroerte, waarbij alles heel snel moet, want: time = brain. Dit betekent: hoe sneller je bent, hoe meer hersenweefsel je nog kunt redden. Ik was de dokter en samen met twee mannelijke verpleegkundigen (beiden langer dan één meter tachtig) en een mannelijke coassistent van één meter vijfennegentig deed ik de eerste opvang. Ik ben zelf ongeveer één meter vijfenzestig-  je kan je wel voorstellen dat ik me naast die gigantische mannen net Pinkeltje voelde.

Ik voelde me ontzettend stoer: als ‘klein meisje’ mocht ik de boel leiden. Ik mocht opdrachten geven aan verpleegkundigen en besluiten wat we gingen doen. En dat was extra bad-ass, omdat ik voor de rest omgeven werd door mannen.

Ergens was dit stoere gevoel krom. Steeds meer vrouwen zijn dokter:  ‘we’ zijn al in de meerderheid vanaf 1980. Het is dus allang niet meer ‘a man’s world’. Helaas word ik nog regelmatig ‘zuster’ genoemd, meestal door wat oudere mensen. Je kan denken: ‘ach, dat oude mensje, hij of zij weet niet beter. Vroeger was dat ook nou eenmaal vaak zo, doe rustig en pick your battles’. Ik vind dit toch vaak vervelend. Ik heb toch niet voor niets zo hard gewerkt om dokter te worden? Men kan toch zien dat ik een lange witte jas aan heb? Het zou duidelijk moeten zijn: lange witte jas = dokter, korte witte jas = verpleegkundige. Zo moeilijk lijkt het mij niet.

Mijn mannelijke collega’s hebben dit trouwens nooit. Zij worden nooit ‘broeder’ genoemd. Sterker nog, patiënten gaan er vaak vanuit dat een mannelijke verpleegkundige de dokter is. Niets ten nadele van verpleegkundigen: ik ben helemaal niet ‘beter’ dan zij en ik wil absoluut niet arrogant klinken.

Ik ben erg benieuwd waar deze vooroordelen vandaan komen. Het zijn lang niet altijd ouderen die vrouwelijke dokters zusters noemen, dus ergens moet het idee zijn ontstaan dat dokter een mannenberoep is en verpleegkundige een vrouwenberoep. Dit heeft vast te maken met de natuurlijke ‘verzorgende’ rol van de vrouw en de ‘leidende’ rol van de man. Al in de vroege jeugd wordt dit gedrag ons aangeleerd: jongens krijgen auto’s en meisjes spelen met poppen. Soms kunnen die poppen zelfs huilen en kalmeren ze pas wanneer het kind (dus vaak een meisje)  ze troost. Er zullen echter veel meer verklaringen zijn, die ik helaas niet kan bedenken. Ik hoop dat we snel van dit ouderwetse idee af zijn.

Update over mijn doktersleven

Wanneer je begint aan een nieuwe baan, is er altijd een periode waarin je een heleboel ‘eerste keren’ mee maakt. De eerste keer op de afdeling, de eerste keer op de spoedeisende hulp, de eerste lumbaalpunctie, de eerste keer weekenddiensten en de eerste keer nachtdiensten. Inmiddels heb ik alle aspecten van het werken als arts nu voor een eerste keer meegemaakt. Ik heb wat dat betreft dus niet veel eerste keren meer om over te vertellen, maar ik wilde toch een update geven over hoe het nu gaat. 

Doorgaan met het lezen van “Update over mijn doktersleven”

De allereerste avond & nachtdiensten

Voor alles een eerste keer, zo ook voor avond- en nachtdiensten. Voor ons zijn de avonddiensten van 16:30 tot 00:00 ‘s nachts. Daarna doen we een bereikbaarheidsdienst tot 8 uur. Dit houdt in dat alle telefoontjes en vragen direct naar de neuroloog gaan. Wij slapen wel in het ziekenhuis en in het geval dat er wat gedaan moet worden, worden we gebeld door de neuroloog en moeten we eruit. 

Doorgaan met het lezen van “De allereerste avond & nachtdiensten”

Ik begin te wennen…

Mijn derde ‘week’ als arts in het Ikazia ziekenhuis begon ik me toch wel wat meer dokter te voelen: ik stelde me zelfs een paar keer daadwerkelijk voor als dokter de Jong! Deze week stond ik maar twee dagen ingeroosterd, ook al voelde het toch alsof ik een hele week heb gewerkt – die twee dagen waren erg druk en er kwam later nog een derde dag bij.

Doorgaan met het lezen van “Ik begin te wennen…”

Van de laatste dag coassistent naar de eerste dag als dokter…

De laatste keer dat ik zo zenuwachtig was, is lang geleden. Morgen is mijn allereerste dag als ‘echte’ dokter. Morgen zal ik zelf verantwoordelijk zijn. Er is geen back-up, niemand zal over mijn schouder meekijken om te zien of ik wel het juiste in het dossier opschrijf. Als iemand me ‘dokter de Jong’ noemt, moet ik mijn instant-reactie “maar ik ben nog geen echte dokter” gaan onderdrukken. Het ene moment kan ik niet wachten om zelf te mogen dokteren, het andere moment wil ik het liefste in het hoekje van mijn bed kruipen en de deken tot over mijn hoofd optrekken. Wie heeft in hemelsnaam bedacht dat ik mensen mag gaan ‘genezen’?

Doorgaan met het lezen van “Van de laatste dag coassistent naar de eerste dag als dokter…”